Nieuwe polders

Met het herstel van de dijken (vanaf 1483) kwamen de ambachten Oost-Barendrecht, West-Barendrecht en Carnisse weer tot bloei.
In elk van de drie ambachten werd de ambachtsheer vertegenwoordigd door de schout. Deze schout werd bijgestaan door een secretaris en enkele heemraden. Vanaf 1634 kregen de heemraden een nieuwe naam. Ze werden voortaan schepenen genoemd. De heemraden werden benoemd door de ambachtsheer.

Na het afzetten van de Spaanse koning Philips II als graaf van Holland in 1581, werden de Staten van Holland en West-Friesland het hoogste gezag. De rol van de graaf raakte tijdens het herstel van de dijken dus uitgespeeld.

Wanneer werd besloten tot de bedijking van polder Binnenland?

Nadat de oude Riederwaard tientallen jaren onder water had gestaan, werd in 1483 besloten voor het gebied rond Barendrecht nieuwe dijken aan te leggen. Bij Ridderkerk waren al eerder nieuwe dijken aangelegd.

Op 20 december 1483 sloten twee ambachtsheren en een ambachtsvrouw met de ingelanden van hun ambachten een overeenkomst tot het bedijken van de polder Binnenland. De ondertekenaars waren Jan van Wassenaar (ambachtsheer van Oost-Barendrecht), Jacob Damaszoon van Minnebeke (ambachtsheer van West-Barendrecht) en Elizabeth van Loon (ambachtsvrouw van Carnisse). De overeenkomst werd het Handvest van Barendrecht genoemd.

Op 14 juni 1484 werd het handvest goedgekeurd door Maximiliaan van Oostenrijk, de regent voor zijn zoon Philips de Schone.

Het bedijken van de polder Binnenland was een succes. Een paar jaar later groeide er koren en graasde er vee. Dat weten we uit de administratie van de Abdij van Sint-Paulus. De abdij was weer begonnen met het innen van de tienden.

In de polder groeide rond de nieuwe Dorpskerk het dorpje Barendrecht. De dijk die we nu kennen als Voordijk – Dorpsstraat - Middenbaan – Dorpsstraat-Oost en Gebroken Meeldijk was toen de dijk die de nieuwe polder beschermde tegen het water van de Oude Maas.

Wat stond er in het Handvest van Barendrecht?

In het handvest werd vastgelegd dat de rechten van de Riederwaard nog steeds golden. In de Riederwaard was het onderhoud van de dijk niet goed gegaan. In het handvest werden daarom hierover duidelijke afspraken gemaakt.

De belangrijkste afspraken van het handvest:

  • De drie ambachten zouden een gemeenschappelijke dijk krijgen. Ook kwam er een gemeenschappelijke controle: de schouw. Bij de schouw werd gekeken of alle voorschriften voor het onderhoud van de dijk werden nageleefd.
  • Ieder ambacht kreeg een dijkgraaf. De dijkgraaf moest zelf land bezitten in het ambacht. Hij had dus zelf belang bij een goed onderhouden dijk. De dijkgraaf werd benoemd door de ambachtsheer.
  • Er kwam een gemeenschappelijke penningmeester. Deze legde elk jaar in Dordrecht verantwoording af aan de ingelanden.
  • De polder werd bestuurd door dijkgraaf en heemraden. Elk jaar werden er door de ambachtsheer twee heemraden benoemd.Als de ambachtsheer afwezig was, mocht de dijkgraaf de heemraden benoemen. Ook die heemraden moesten in het ambacht land hebben.
  • De twee ambachtsheren en de ambachtsvrouw gaven de ingelanden van de nieuwe polder de eerste zeven jaar financiële voordelen. Ze hoefden bijvoorbeeld maar de helft van de tienden te betalen.

Ten slotte werden in het handvest ook afspraken over de afwatering van de polder gemaakt.

Hoe ontstond de polder Ziedewij?

Vlak na het inpolderen van de polder Binnenland werd de Ziedewijdsedijk aangelegd. Daardoor ontstond de kleine polder Ziedewij. Dit is gebeurd voor 1496.

Wanneer werd besloten tot de bedijking van polder Buitenland?

Op 6 november 1551 gaf keizer Karel V als graaf van Holland uitvoerige voorschriften voor de bedijking van de polder Buitenland. Dat is tegenwoodig het gebied tussen de Voordijk en de Middeldijk.
Karel V bevestigde de oude rechten en plichten van de eigenaars van het nieuw te bedijken land. Die rechten en plichten gingen soms terug naar de tijd van de Riederwaard.
Voordat het werk begon, werd een landmetersplan gemaakt. Daarin stond natuurlijk waar de nieuwe dijk moest komen. Daarnaast werden de kavels, sloten en wegen op de kaart gezet.

Wanneer werd besloten tot de bedijking van de Zuidpolder?

Nadat vanaf 1551 bij de bedijking van de polder Buitenland de Middeldijk was aangelegd, vonden vissers dat het wel genoeg was geweest met de bedijking. Zij visten van de Middeldijk tot in het diepe deel van de Oude Maas en wilden dat graag blijven doen.

Tot ergernis van de vissers legden voorstanders van verdere inpoldering een dam aan naar het eilandje Den Ouden Dijck. Dat eilandje is waarschijnlijk een rest geweest van de dijk van de Riederwaard. Tegenwoordig ligt ongeveer op die plaats de gelijknamige begraafplaats.

De dam van de Middeldijk naar het eilandje moest het aanslibben van land bevorderen. Al bij het octrooi voor de bedijking van de polder Buitenland had Karel V toestemming gegeven voor verdere inpoldering van land ten zuiden van de Middeldijk.

De visserijrechten golden alleen ten zuiden van de vroegere dijk van de Riederwaard. Voordat er verder kon worden ingepolderd, moest eerst duidelijk zijn waar die dijk gelopen had. Omdat vissers en inpolderaars het niet eens konden worden, kwam de zaak voor de rechter.

In 1559 werden in een proces getuigen gehoord. De eerste getuige moet al op leeftijd zijn geweest, want hij was in 1515 of 1516 bij uitzonderlijk laag water vanaf het eilandje naar het noordoosten gelopen. Op die wandeling zag hij de ruïne van de kerk van het verdwenen dorpje Barendrecht, het kerkhof, de sluis van de vroegere dijk en sloten. Een andere getuige had gehoord dat de oude dijk verbonden was geweest met Heerjansdam.

De rechter bepaalde dat de vissers tot de ondergang van de Riederwaard alleen gevist konden hebben ten zuiden van het eilandje Den Ouden Dijck. De bedijkers wonnen het proces. Toch duurde het nog tot 1649 voordat het octrooi van de bedijking van de Zuidpolder werd opgesteld. De twee ambachtsheren en de eigenaren van het aangeslibde land ten zuiden van de Middeldijk gingen toen inpolderen.

bron

A.M. Overwater; ‘Het bestuur van Barendrecht 1811-2001’, Barendrecht 2001, p. 6;
Jurrien M. Moree: ‘Barendrecht bouwt Carnisselande’, in ‘Ingelanden als uitbaters’, Barendrecht 2003, p. 53;
Corrie Ratsma: tekst bij passe-partout Dijkstructuren, 2002;
‘Handvest van Barendrecht’, 20 december 1483, kopie HVB;
J.P. Rijnsberger: ‘Inventaris van het archief van de Zuidpolder, Zoetermeer 1960, IV, Inleiding;
Proces-verbaal 16 juni 1703, uittreksel door notaris gemaakt naar eerdere kopie, bij HVB;
Inventaris van de archieven van de heerlijkheden Oost- en West-Barendrecht en Carnisse, uit de regestenlijst: nr. 28, 29, 30, 49, 50, 283