Bestuur » Het bestuur van de Franse tijd tot de ja... » De ambachtsheer doet een stapje terug (1)

De ambachtsheer doet een stapje terug (1)

In 1813 kregen de ambachtsheren weer wat van hun macht terug. Maar binnen een halve eeuw was hun rol uitgespeeld. Uiteindelijk gingen bewoners van Barendrecht bepalen wie het dorp bestuurde. Alleen het benoemen van de burgemeester is nooit toevertrouwd aan de Barendrechtse burgers.

De verandering ging stap voor stap:

Stap 1

Koning Willem I besloot in 1817 om een aantal veranderingen uit de afgelopen jaren  terug te draaien. Barendrecht werd daarom weer verdeeld, nu in twee gedeelten: de gemeente Oost-Barendrecht en de gemeente West-Barendrecht en Carnisse.

Aan het hoofd van elke gemeente kwam een schout en secretaris te staan. Weer een nieuwe titel dus voor Pleun de Raadt. Hij werd benoemd tot schout en secretaris van West-Barendrecht en Carnisse. In Oost-Barendrecht ging die functie naar Jacob van ’t Hoff. Beide heren waren voor hun functie voorgedragen door de ambachtsheren. Ze werden door de koning benoemd.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland benoemden in 1817 voor beide gemeenten vijf raadsleden.

Stap 2

In 1825 werd het bestuur van de gemeente weer aangepast. Voortaan stond er een burgemeester aan het hoofd van de gemeente. Dat was nieuw, want voorheen was de titel ‘burgemeester’ alleen in de stad gebruikt. De gemeenteraad bestond nu uit de burgemeester, twee assessoren en enkele raadsleden.

De ambachtsheer droeg aan de koning een (volgens hem) geschikt persoon voor om burgemeester te worden. De koning benoemde vervolgens de burgemeester, zoals Pleun de Raadt in West-Barendrecht en Carnisse.

Ook mocht de ambachtsheer de assessoren en gewone leden van de gemeenteraad voordragen aan Gedeputeerde Staten (het dagelijks bestuur van de provincie).

Stap 3

In 1848 werd het recht van de ambachtsheer (of ambachtsvrouwe) om voordrachten te doen, in heel Nederland afgeschaft. De gemeenteraad werd voortaan door een deel van de bevolking gekozen, namelijk de welvarende mannelijke inwoners. De burgemeester werd benoemd door de koning.

De naam ‘assessoren’ verdween in 1851. Sindsdien heten deze bestuurders ‘wethouders’.

Wat veranderde er allemaal in 1848?

In 1848 was het in heel Europa onrustig. Op allerlei plaatsen eisten burgers meer invloed op het bestuur van het land. Ze wilden een grondwet waarin hun rechten vast kwamen te liggen. Bovendien heerste er op veel plaatsen armoede na een economische crisis in 1846.

In Frankrijk kwam het zelfs zover dat de koning moest aftreden. Ook in Berlijn en Wenen waren er opstanden.

In Nederland hoorde de onzekere koning Willem II de berichten uit het buitenland. Het maakte hem ongerust. De koning voelde eigenlijk niets voor een grondwet. Maar hij wilde voorkomen dat ook hij moest aftreden. Hij veranderde plotseling van mening. Er wordt gezegd dat hij binnen 24 uur van conservatief veranderde in liberaal. Met andere woorden: van een tegenstander van een grondwet veranderde hij in een voorstander. Zonder zijn ministers in te lichten, deelde hij dit op 13 maart mee aan de Tweede Kamer.

Hij vroeg daarom de liberaal Thorbecke om een grondwet op te stellen. Deze liberale grondwet moest het ontevreden volk tevreden stellen.

De belangrijkste punten van de grondwet van 1848:

  • de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. De koning kan daardoor niet meer z’n eigen zin doordrijven.
  • de ministers leggen verantwoording af aan de volksvertegenwoordiging (Eerste en Tweede Kamer).
  • rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer, hoewel daar alleen nog de welgestelde mannelijke burgers aan mee mochten doen.

Landelijk had de grondwet van 1848 tot gevolg dat de koning minder macht kreeg en de volksvertegenwoordiging machtiger werd.

Plaatselijk gebeurde er iets dergelijks: de ambachtsheer verloor z’n macht en de vertegenwoordiging van de burgers (gemeenteraad) werd machtiger. Door de stijging van de welvaart mochten na 1848 trouwens steeds meer mannen stemmen.

Hoewel de ambachtsheer zijn macht verloor is de titel tot nu toe in Barendrecht bewaard gebleven, zie De hedendaagse ambachtsheer.

Eén gemeente Barendrecht

Barendrecht bestond ooit uit drie ambachten: West-Barendrecht, Oost-Barendrecht en Carnisse.

Na de komst van de Fransen naar Nederland, in 1795, krijgt de plaatselijke overheid meer taken, zoals de zorg voor de politie en de burgerlijke stand. Om dat mogelijk te maken, wordt  Nederland verdeeld in gemeenten van ongeveer gelijke omvang. De drie Barendrechtse ambachten (inmiddels gemeenten genoemd) zijn stuk voor stuk te klein. Daarom worden ze bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 samengevoegd tot één gemeente Barendrecht.

Na het vertrek van de Fransen verdwijnt de gemeente Barendrecht weer. In 1817 komen er  twee gemeenten: de gemeente Oost Barendrecht en de gemeente West Barendrecht (beide namen geschreven zonder streepje!) en Carnisse. Voor die tijd is dat logisch, want West-Barendrecht en Carnisse hebben samen één ambachtsheer (of -vrouw).

Barendrecht is één dorpje en de verdeling in twee gemeenten blijkt in de praktijk niet handig te zijn. Het zorgt onder meer voor hogere belastingen. Het kost een paar jaar van overleg om tot een regeling te komen met de ambachtsheer van Oost-Barendrecht en de ambachtsvrouwe van West-Barendrecht en Carnisse.

Op 1 januari 1837 wordt de gemeente Oost en West Barendrecht ingesteld. De ambachtsheer en de ambachtsvrouwe mogen een voordracht doen voor de benoeming van de burgemeester, de raadsleden, de secretaris en de ontvanger van de nieuwe gemeente. Voor een openvallende post mogen ze om de beurt een voordracht doen.

Sinds 1904 wordt de naam Oost en West Barendrecht niet meer gebruikt. De gemeente heet sindsdien gewoon Barendrecht.

Opvallend: of er ooit officieel is besloten om de gemeente de naam ‘Barendrecht’ te geven, is onduidelijk. Zo’n besluit is in ieder geval niet bekend.

bron

A.M. Overwater: ‘Wapens en vlaggen’, Barendrecht  1999, p.9;
A.M. Overwater; ‘Het bestuur van Barendrecht 1811-2001’, Barendrecht 2001, p 7-10, 12;
Paul Brood en Karijn Delen: ‘Het Vaderlandse Geschiedenis Boek’, Zwolle 2003, p. 226;
Lothar Gall e.a.: ‘Fragen an die deutsche Geschichte’, Bonn 1983, p. 104;
Bas Blokker, Gijsbert van Es, Hendrik Spiering: ‘Nederland in een Handomdraai’, Uitgeverij Balans 1999, p.235;
A.M. Overwater; ‘Het bestuur van Barendrecht 1811-2001’, Barendrecht 2001, p 10-12, 14;
J.E.J. Blinde: ‘Honderd jaar Barendrecht’, in Het Zuiden, 9 december 2004;
H.Oldenhof: ‘Barendrecht in de Franse tijd’, in Contactblad 59, Barendrecht juni 1994, p. 21